Ds. R. Hanko
Een lezer uit Wales schrijft: ‘1 Samuël 18:10 vermeldt opmerkelijk dat Saul ‘profeteerde’ toen de boze geest over hem kwam.’ Hij vraagt om een uitleg hierover. Mogelijk wil hij ook een uitleg over Sauls andere profetieën (‘’ Samuël 10:10–13; 19:23–24).
Er zijn in de Schrift verschillende voorbeelden van goddeloze mensen die onder de invloed van Gods Geest profeteerden. De profetieën van Bileam in Numeri 23 en 24 zijn opmerkelijk. Hij profeteerde duidelijk over Christus toen hij zei: ‘het geklank des Konings is bij hem’ (Numeri 23:21), en opnieuw toen hij sprak: ‘Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen’ (Numeri 24:17). Dat deze profetieën van God waren en door Zijn Geest gegeven, blijkt uit Numeri 22:35, waar de Engel des HEEREN zegt: ‘Ga heen met deze mannen; maar alleenlijk dat woord dat ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken.’
Kajafas, de hogepriester die Jezus veroordeelde, profeteerde eveneens over het verzoeningswerk van Christus toen hij zei: ‘Gij verstaat niets; En gij overlegt niet dat het ons nut is, dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga’ (Johannes 11:49-50). De Schrift zelf vertelt ons dat wat hij zei profetisch was: ‘En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk; En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods die verstrooid waren, tot één zou vergaderen’ (51-52). Wat die goddeloze man zei, was een profetie over de dood van Christus voor alle kinderen van God, zowel Joden als heidenen. Dat hij onder de invloed van de Geest profeteerde, was mogelijk omdat hij hogepriester was, hoewel hij onbewust profeteerde. De Geest van God gebruikte hem zoals Hij Bileam had gebruikt.
De twee gevallen waarin Saul profeteerde in 1 Samuël 10 en 19 vonden eveneens plaats onder de invloed van de Geest van God. Bij de eerste gelegenheid zei Samuel tegen Saul: ‘En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u en gij zult met hen profeteren, en gij zult in een anderen man veranderd worden’ (10:6; vgl. 10). Het verslag van Sauls profetie te Rama, de tweede van deze verwijzingen, vertelt ons eveneens dat ‘dezelve Geest Gods’ over hem kwam (19:23). Bij het eerste voorval was het profeteren het bewijs dat God Saul had gekozen als koning van Israël. Bij het tweede was het feit dat Saul door de Geest der profetie werd bevangen Gods wijze om de veiligheid van David en Samuel te waarborgen. In die geïnspireerde geschiedenis profeteerde niet alleen Saul, maar werden ook de drie groepen boodschappers die hij had uitgezonden om David te zoeken, bevangen en profeteerden zij (20-21).
Het is opmerkelijk dat in beide gevallen Gods Woord ons zegt dat Saul, een goddeloze man, zich anders gedroeg als gewoonlijk toen hij profeteerde. Hij stond niet bekend om zijn vroomheid of om het Woord van God op zijn lippen te hebben, zozeer zelfs dat zijn profeteren een spreekwoord werd in Israël: ‘Is Saul ook onder de profeten?’ (10:11-12; 19:24).
Iets dergelijks gebeurt in onze tijd, wanneer iemand die zelf geen gelovige is – wat blijkt uit zijn gedrag en zijn woorden – de waarheden van Gods Woord predikt en de sacramenten bedient, met als gevolg dat Gods volk wordt gesticht. De Westminster Belijdenis benadrukt dit in haar behandeling van de sacramenten: ‘noch hangt de werkzaamheid van een sacrament af van de vroomheid of de bedoeling van degene die het bedient’ (27:3).
Dergelijke zaken zijn het bewijs dat goddeloze mensen volledig in Gods handen zijn, en dat Hij in staat is hen te besturen en te gebruiken voor Zijn eigen oogmerk. Bileam erkende dit toen hij tegen Balak zei: ‘Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat de HEERE in mijn mond gelegd heeft?’ (Num. 23:12). God gebruikte Bileam (en Saul) op dezelfde manier als Hij Bileams ezel gebruikte (2 Petr. 2:16). Dit geldt niet alleen voor Bileam, maar voor elk woord dat uit de mond van een mens komt: ‘De mens heeft schikkingen des harten, maar het antwoord der tong is van den HEERE’ (Spr. 16:1).
Het geval dat wordt genoemd in 1 Samuël 18:10 lijkt anders te zijn. Toen was Sauls profeteren het gevolg van een boze geest die door God was gezonden: ‘En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest Gods over Saul vaardig werd en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag. (Saul nu had een spies in de hand.).’
Was dit profeteren vergelijkbaar met de andere twee voorvallen in Sauls leven, namelijk dat God door Zijn Geest een goddeloze man gebruikte om de waarheid te spreken? Was wat Saul zei waar of onwaar, of was het slechts wartaal? Was er een boze geest, een duivel, bij dit profeteren betrokken? Was dit een soort duivelse bezetenheid, zoals bij het meisje dat door Paulus en Silas in Filippi werd genezen (Handelingen 16:16-18)? Was Sauls profetie dus waar of onwaar? Waarom gebeurde het en wat was het doel van zijn profetie? Deze vragen zijn niet zo eenvoudig te beantwoorden op basis van de informatie die ons in het Woord wordt gegeven.
Er zijn verschillende mogelijke antwoorden op deze vraag.
(1) Het is mogelijk dat de boze geest waarnaar wordt verwezen geen duivel is, maar Sauls eigen geest; met andere woorden, er kwam een soort boze aanval over hem, een soort tijdelijke waanzin. Het Schriftgedeelte zegt letterlijk dat er een boze adem (geest) van God over hem kwam: God blies op hem en hij verviel in een soort geestelijke waanzin. Richteren 9:23 lijkt op deze manier over een boze geest te spreken, d.w.z. een boze gedachte of gevoel. Als dit het geval is, dan was Sauls profeteren niets meer dan het uitzinnige geraaskal van een dwaas.
(2) Een andere mogelijkheid is dat Saul slechts deed alsof hij profeteerde. Sommigen beweren dat de Hebreeuwse tijd van het werkwoord nooit wordt gebruikt in verband met echt profeteren. Een uitlegger zegt zelfs dat het werkwoord (in die tijd) vertaald zou moeten worden met: ‘hij deed alsof hij profeteerde.’ Er wordt verwezen naar Jeremia 23:21 en 29:26, waar Jeremia spreekt over onzinnigheid en een man die zichzelf tot profeet maakt.
Dan zou Sauls profeteren een poging zijn geweest om zijn bedoeling om David te doden te verbergen.
1 Samuël 18:11 geeft aan dat zijn poging niet spontaan was, maar met voorbedachten rade: ’En Saul schoot de spies en zeide: Ik zal David aan den wand spitten.’ Hij faalde in zijn poging, maar dat kwam omdat de Heere met David was (12). Deze schrijver sluit zich bij die opvatting aan, in de overtuiging dat de taal van het Schriftgedeelte deze ondersteunt.
(3) Als de boze geest inderdaad een duivel was, dan moet het profeteren van Saul onder invloed van deze geest uit leugens of wartaal hebben bestaan. In het verhaal over de laatste veldslag van Achab gebruikte God een leugenachtige geest in de mond van Achabs goddeloze profeten om hem te overtuigen ten strijde te trekken tegen de Syriërs en gedood te worden (1 Koningen 22:22). Er zijn nog andere zaken in dat relaas die moeilijk te begrijpen zijn, maar het punt hier is dat boze geesten altijd leugenachtige geesten zijn. Het kan zijn dat een boze geest of duivel Saul door middel van een leugenachtige profetie ervan heeft overtuigd dat hij David kon doden met de speer die hij in zijn hand had. Het kan ook zijn dat Sauls profetieën via een boze geest David waarschuwden voor Sauls bedoelingen. Niettemin wordt ons dit niet verteld en moeten wij deze kwestie onopgelost laten.
Het belangrijke in dit Schriftgedeelte is dat Saul zelf, met al zijn haat tegen David, en elke duivel die mogelijk betrokken was bij Sauls profetie, onder Gods soevereine heerschappij en leiding stond. God is soeverein over de satan en zijn engelen en al hun werken. Hij is soeverein over de daden en bedoelingen van goddeloze mensen, en oefent Zijn soevereiniteit op zo’n wijze uit dat Hij niet van het kwaad kan worden beschuldigd. Deze soevereine heerschappij van God over het kwaad is altijd ten goede van Zijn volk, zoals Zijn zorg voor David laat zien. God bewaart hen niet altijd voor kwaad, maar zelfs dan is Hij bij hen, zoals Hij bij David was.
In dit geval was de zorg bijzonder belangrijk omdat David degene was uit wiens geslacht Christus zou voortkomen. Of hij nu beïnvloed werd door een duivel of leed aan een vorm van waanzin, Saul was satans instrument in diens pogingen om David te doden. Het kan waar zijn dat Saul zich niet bewust was van satans boosaardigheid in dit alles. Zijn motief was wellicht eenvoudigweg het behoud van zijn troon en koningshuis (zie 1 Sam. 20:30-31). Niettemin stond achter alle pogingen om de beloofde geslachtslijn te vernietigen (bijvoorbeeld de farao in het boek Exodus, Saul, Athalia en de Babyloniërs) satan, de grote vijand van Gods volk.
Dit wordt afgebeeld in Openbaring 12:1-4. Daar vertegenwoordigt de vrouw de kerk van het Oude Testament, als het ware zwanger van Christus, wachtend op Zijn geboorte en komst. Satan, afgebeeld als een grote rode draak, staat altijd klaar om haar kind te verslinden, hoewel zijn pogingen door Gods soevereiniteit altijd worden verijdeld.
Tijdens het leven van Jezus maken Herodes’ moord op de kinderen van Bethlehem, de poging van de Nazareners om Jezus van een stijlte te werpen, de pogingen van de Joodse leidslieden om Hem te stenigen, en alle laster en smaad die over Hem werden uitgestort, deel uit van wat Openbaring 12 uitbeeldt. Satans verzoeking van Hem in de woestijn vertegenwoordigt eveneens zijn onophoudelijke pogingen om Gods heilsplan te dwarsbomen. Het kruis zelf was zo’n poging. Ongetwijfeld beïnvloed door satan, ‘zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls’, hoewel zij slechts konden doen wat Gods ‘hand’ en ‘raad’ reeds hadden bepaald dat er zou gebeuren (Handelingen 4:27-28).
Bron: Covenant Reformed News – maart 2026 • jaargang XX, nummer 23
Voor meer Nederlandstalige artikelen, klik hier.

