Menu Close

Hebben duivelen geloof? / Do Demons Have Faith?

       

Ds. R. Hanko

Onze vraag voor dit nummer betreft Jakobus 2:19: “Waarom beroept Jakobus voor zijn betoog zich in hoofdstuk 2 vers 19 op duivelen, terwijl hij (en de Geest) zeer wel wist dat duivelen toch niet zalig kunnen worden — want: 1) Christus heeft niet ‘de natuur der engelen’ aangenomen, maar die van mensen (Hebr. 2:16). En 2) Hij is ook niet gestorven voor de zonden van duivelen?”

Jakobus 2:19 luidt: ‘Gij gelooft dat God één is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.’ Het gewone Bijbelse woord voor ‘geloven’ wordt in dit vers gebruikt, en het gebruik van dat woord roept de vraag op hoe van duivelen gezegd kan worden dat zij geloven, evenals de vraag waarom Jakobus spreekt van hun ‘geloven.’

Onze vraagsteller wijst erop dat duivelen niet zalig zullen noch kunnen worden. Daarin heeft hij gelijk. De Schrift zegt dit in Judas vers 6: ‘En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van den groten dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.’ Zij zijn niet alleen niet zalig, maar zijn verworpen, eeuwig door God afgewezen, ‘met eeuwige banden bewaard.’ Hebreeën 2:16 zegt hetzelfde op een andere wijze. Christus heeft de natuur der engelen niet aangenomen en heeft daarom ook geen verzoening tot stand gebracht voor de zonden van de gevallen engelen.

Het ‘geloof’ van de duivelen, waarvan Jakobus spreekt, is een voorbeeld van wat in de theologie historisch geloof wordt genoemd: een geloof dat de feiten van de Schrift kent en erkent, maar dat niet persoonlijk is. Iemand met zulk ‘geloof’ kan niet de belijdenis van Paulus in 2 Timotheüs 1:12 uitspreken: ‘Want ik weet Wien ik geloofd heb, en ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.’ Zulk geloof is niet persoonlijk, noch zaligmakend. Wat ontbreekt is de vereniging met Christus, die het hart en de ziel is van het zaligmakende geloof. Zulk geloof is niet ‘in’ Christus.

Dit soort geloof is slechts verstandelijk en betreft alleen kennis van het hoofd. Het is nooit een zaak van het hart. Het weet iets over God, maar kan niet zeggen: ‘Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe’ (Psalm 48:15). Het weet van Christus, maar kent Hem niet persoonlijk. Het is slechts een verstandelijk toestemmen van de waarheid.

De duivelen waarvan Jakobus spreekt, weten dat God God is, de enige ware en levende God. Het is moeilijk voor te stellen hoe zij deze kennis zouden kunnen missen, aangezien zij in den beginne geschapen zijn in een staat van volmaaktheid in Gods tegenwoordigheid. Inderdaad kon satan in het Oude Testament nog in Gods tegenwoordigheid verschijnen (Job 1:6–12; 2:1–7) en werd hij pas geheel uit de hemel geworpen toen Christus ten hemel voer (Openb. 12:5–11). Zij kennen Hem als God, maar blijven in opstand tegen Hem.

Jakobus 2:19 beschrijft zulk verstandelijk kennen en toestemmen als geloof, omdat het oppervlakkig gezien op waar geloof lijkt. Kennis en verstandelijke toestemming behoren tot het ware geloof, hoewel het ware geloof meer is dan louter verstandelijke kennis. Toch zijn er altijd mensen die menen dat een hoofd vol kennis betekent dat zij verlost zijn. Jakobus spreekt over dat soort vals ‘geloof’ en waarschuwt daartegen.

Dit alles is niet bedoeld om kennis te kleineren. Geloof is meer dan kennis, maar kennis is een wezenlijk onderdeel van het geloof. Ik kan niet vertrouwen of geloven wat ik niet ken. Indien ik niet weet wat ICHTHUS betekent als symbool van het christelijk geloof, kan ik onmogelijk zeggen dat ik het geloof of daarin vreugde vind. Geloof is geen sprong in het duister, want Paulus belijdt: ‘Want ik weet Wien ik geloofd heb, en ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.’

Historisch geloof is niet de enige vorm van vals ‘geloof.’ De Schrift spreekt ook van een wondergeloof, een geloof dat gelooft dat Jezus wonderen kan doen, maar dat Hem niet nodig heeft als Zaligmaker. De man die genezen werd bij het badwater van Bethesda, die later Jezus aangaf bij de oversten en die door Jezus gewaarschuwd moest worden voor iets ergers dan zijn verlamming, is een voorbeeld van zulk wondergeloof (Johannes 5:1–16). Evenzo de negen van de tien melaatsen die door Jezus genezen werden (Lukas 17:11–19).

De Schrift spreekt ook van een tijdgeloof, een geloof dat schijnt waar te zijn, maar niet standhoudt zoals het ware geloof dat doet. Degenen in de gelijkenis van de zaaier die worden voorgesteld als steenachtige of doornenachtige aarde, zijn voorbeelden van zulk geloof (Mattheüs 13:20–22). Zulken zijn aanvankelijk niet van ware gelovigen te onderscheiden, maar ten slotte verlaten zij de weg van gehoorzaamheid, hun medechristenen, de kerk, het Woord van God en de Heere Jezus Christus, en keren zij terug tot hun oude zondige en ongelovige wegen. Zij worden ‘geërgerd’ (21) en zijn ‘onvruchtbaar’ (22). Zij volharden niet. Ware gelovigen daarentegen horen het Woord, verstaan het, volharden tot het einde en dragen vrucht (23).

Jakobus heeft in het bijzonder het oog op een ‘geloof’ dat niet blijkt zaligmakend te zijn, omdat het geen goede werken voortbrengt: ‘Alzo is ook het geloof, indien het de werken niet heeft, bij zichzelf dood’ (2:17). Goede werken zijn altijd het bewijs (niet de oorzaak of grond) van het zaligmakende geloof. De Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 24, zegt: ‘Zo is het dan onmogelijk, dat dit heilig geloof ledig zij in den mens; want wij spreken niet van een ijdel geloof, maar van zulk een geloof, hetwelk de Schrift noemt een geloof, dat door de liefde werkt [Gal. 5:6] dat den mens beweegt om zich te oefenen in de werken die God in Zijn Woord geboden heeft; welke werken, als zij voortkomen uit den goeden wortel des geloofs, goed en bij God aangenaam zijn, overmits zij alle door Zijn genade geheiligd zijn. Intussen komen zij niet in rekening om ons te rechtvaardigen.’

Jakobus benadrukt dit punt door te spreken over het geloof van de duivelen. Hun ‘geloof’ is niet beter dan, en niet anders dan, een geloof dat zonder werken is. Het is geen zaligmakend geloof. Jakobus zegt als het ware: ‘U hebt een geloof zonder werken? Waarin verschilt uw geloof van dat der duivelen? Begrijpt u niet dat hetgeen u hebt geen zaligmakend geloof is? U meent wellicht dat u geloof hebt, maar u bedriegt uzelf. U bent zorgeloos en onheilig en werelds, en toont geen enkel bewijs van waar geloof. U moet in Jezus Christus geloven om zalig te worden, en het bewijs dat u tot zaligheid geloofd hebt, zijn goede werken, zoals die van Rachab, toen zij de verspieders verborg, en van Abraham, toen hij zijn zoon Izak aan God offerde. Indien u waar geloof hebt, zult u de rijken niet voortrekken en de armen niet verachten. Indien u waar geloof hebt, zult u zich beijveren om uw arme en hongerige broeder te helpen en hem niet zonder het nodige voor het lichaam laten weggaan’ (vgl. Jakobus 2:14–26).

Geloof is nooit de reden waarom wij gerechtvaardigd worden, maar het is de weg waarlangs wij gerechtvaardigd worden, omdat het ware geloof in Christus is. Het geloof verenigt ons met Christus, zodat Zijn gerechtigheid en gehoorzaamheid ons worden toegerekend. Het ware rechtvaardigende geloof wordt bewezen door goede werken, want gelijk een tak die in een boom is ingeënt vrucht voortbrengt, zo zal ook de gelovige, door het geloof in Christus ingeplant, ‘veel vrucht’ voortbrengen (Johannes 15:4–5). Daarentegen bewijst een geloof zonder werken dat het niet in Christus is en dood is. Wij worden niet door goede werken zalig, maar zij zijn een belangrijk bewijs dat wij zalig zijn.

De Schrift spreekt van het geloof van de duivelen, een verstandelijke en uiterlijke toestemming van de feiten van de Schrift, en noemt dit geloof als waarschuwing tegen dode rechtzinnigheid, antinomianisme en dwalingen zoals het sandemanianisme[1], dat het geloof omschreef als een louter verstandelijke instemming met de waarheden van de Schrift. Zulke dwalingen bestaan nog steeds en vloeien dikwijls voort uit een onwil om te spreken over goede werken, gehoorzaamheid en heiligheid. Degenen die in zulke dwalingen vervallen, nemen de wet en haar eisen niet ernstig en hebben de dwaze en onschriftuurlijke gedachte dat het ter sprake brengen van goede werken een ontkenning zou zijn van de zaligheid uit genade alleen.

Jakobus 2:19 is ook een waarschuwing voor hen die menen dat een goed begrip van hetgeen de Schrift leert betekent dat men zalig is, zodat niets anders nodig is, en die hoogmoedig rusten in hun kennis en inzicht van de Schrift. Zulke mensen worden vaak gevonden aan universiteiten of seminaries, evenals in de kerkbanken, en zijn dikwijls voortgekomen uit christelijke gezinnen en kerken: goed onderwezen, maar niet zalig. Zij hebben veel geleerd, maar nooit tot zaligheid geloofd. Zij kennen Christus bij name, maar niet als hun eigen Vriend en Zaligmaker.

Moge ons geloof ‘in’ Christus zijn en nooit slechts een verstandelijke toestemming van de waarheden van de Schrift. Dat wij nooit zouden rusten op iets of iemand anders dan in Christus Zelf. Wij worden door het geloof alleen zalig, want onze zaligheid is uit genade alleen en in Christus alleen, en in Hem rusten wij. En wanneer wij dan door het geloof alleen zalig geworden zijn, behoren wij ook ons geloof te tonen door onze werken. Goede werken, een grondige kennis van de Schrift en een geloofwaardige belijdenis zijn de goede en noodzakelijke vruchten van het zaligmakende geloof.

Bron: Covenant Reformed News, april 2026 • jaargang XX, nummer 24

Voor meer Nederlandstalige artikelen, klik hier.

[1] Genoemd naar Robert Sandeman (1718-1781). Hij stelde het zaligmakend geloof gelijk aan een louter verstandelijk toestemmen van de feiten uit de Bijbel.

 

Show Buttons
Hide Buttons